Feuilleton: De Ontlijner

In het kader van de wedstrijd 'Schrijf een Bommelverhaal' schreef Bert Juistenga het verhaal De Ontlijner. In dit verhaal wordt duidelijk hoe gevaarlijk het is als alles dat op internet verschijnt voor waar wordt aangenomen. Juistenga’s prettige schrijfstijl en het afwisselende verhaalverloop leverden hem de tweede prijs op. Het verhaal verschijnt op deze plek in delen. Als aftrap beginnen we met aflevering 1& 2. 

Op een mooie herfstochtend wandelde heer Bommel op een ongewoon vroeg tijdstip samen met zijn buurvrouw in het bos.
'Het is tegen mijn gewoonte,' mopperde hij. 'Normaal gesproken slaap ik nog, maar dat graven en hakken voor mijn deur heeft de nachtrust en de ochtendpap ernstig verstoord.'
'Kom op Ollie, niet zo somber,' sprak juffrouw Doddel hem toe. 'Straks zijn alle kabels gelegd en is iedereen aangesloten op de Lijn, dat is toch mooi? Weet je hoeveel leuke dingen je daarmee kan doen?'
Dat wist heer Bommel. Burgemeester Dickerdack had er op de Kleine Club vol trots over verteld. Ieder huishouden zou aangesloten worden op een ondergronds kabelnetwerk waarop men met een computer kon inloggen. Een reclamemaker bedacht dat het project in de volksmond 'de Lijn' zou heten. Dat klonk de burgers goed in de oren, zodat een breed maatschappelijk draagvlak ontstond. Rommeldam veranderde in een bouwterrein, overal werden sleuven gegraven en kabels gelegd. Het werk vorderde goed, de slootgravers en lijntrekkers verstonden hun vak, zodat spoedig een ieder aangesloten zou zijn op de Lijn.
Terwijl heer Bommel luisterde naar het vrolijke gebabbel van zijn buurvrouw over de zegeningen van de Lijn raakten zij dieper in het bos. De werkgeluiden verdwenen naar de achtergrond en heer Bommel zag de toekomst weer een stuk zonniger in. Hij wilde juist iets aardigs opmerken over het aangename gezelschap toen na het passeren van een groepje berkenbomen een opmerkelijk tafereel hun aandacht trok. Het was de breinbaas Kwetal die met bedrukte gelaatstrekken op een groot ei zat.
'Ah, Bommel,' riep het kleine mannetje nu verheugd. 'Als geroepen, want mijn weten is te klein voor dit ei.'
Het ei was inderdaad groot in verhouding tot de bezitter.
'Hoe kom je aan dat ei?' vroeg heer Bommel. 'Meestal hoort er een vogel bij, bedoel ik en... eh..., dat moet toch een flink exemplaar zijn.' Hij keek bezorgd omhoog naar de takken, want men moet de kracht van moedergevoelens nooit onderschatten.
'Geen vliegbeest, hoor,' antwoordde Kwetal, 'het komt uit de voorgeschiedenis. Oneindige zonnewenden geleden, omdat het voor zijn tijd was. Ik groef in de turf naar wasdom en vond dit ei. Wie een ei speurt mag het niet ongebroed laten, dat is de natuurwet, maar het komt ongelegen. Gelukkig is Bommel gekomen en met zijn grote denkraam is de oplossing nabij en kunnen we ipsen, want de tijd dringt.'
Plotseling maakte het ei een geluidje en verscheen een barst in de schaal. Pee Pastinakel, die de gebeurtenissen van een afstandje volgde, sprong nu uit het struikgewas tevoorschijn om zijn reisgenoot te waarschuwen.
'Floeps er af,' riep hij. 'Het kraakschieten begint. Verberg je, onze tijd is eindig en de uitkomst van de kalkschil hecht aan zijn voeders. De wenden worden al korter, we moeten ipsen.'
Het koste de mannetjes weinig moeite om zich achter heer Bommel te verstoppen, zodat de pasgeborene na het breken van de schaal oog in oog kwam te staan met degene die hij instinctief als zijn voeder herkende. Op het gezichtje van de jonge spruit ontplooide zich een vertederende glimlach.
'Kijk eens Ollie, wat lief,' zei juffrouw Doddel. 'Hij lacht naar je, zo schattig.'
Op dat moment voegde Tom Poes, die toevallig passeerde, zich bij het gezelschap. Nieuwsgierig vroeg hij waarom de leden van het Kleine Volkje zich achter heer Ollie stonden te verschuilen en wie het wezentje uit het ei was. 'Zijn jullie soms bang voor dat mannetje? Is het gevaarlijk?'
'Geen mannetje,' antwoordde Kwetal.
'Ook niet gevaarlijk,' voegde Pee Pastinakel eraan toe, 'het is een ontlijner.'
'Ontlijners zijn niet gevaarlijk,' herhaalde Kwetal. 'Het voeden wel, maar Bommel is nu de voeder en hij heeft een groot denkraam'.
Waarop de heren aanstalten maakten om te verdwijnen.
'Wacht even', wierp heer Olivier tegen. 'Ik zie mijn plicht als opvoeder, want een heer herkent zijn roeping als hij erover struikelt, maar wat is een ontlijner precies? Ik heb er nog nooit van gehoord, bedoel ik.'
'Niet opvoeden, alleen voeden,' verbeterde Kwetal, 'maar opgepast, altijd losse bitjes, losse cijfers en letters. Geen hele bijt of getal, geen woorden van waarde. Alles van waarde verdwijnt. Snippers is veiliger.'
Pee Pastinakel voegde er een spreuk aan toe: 'Wie de kost niet wil verkleinen, zal al van waarde doen verdwijnen.' Kwetal benadrukte dat het nu echt tijd was om te ipsen en met deze woorden verdween het tweetal op een drafje uit dit verhaal op weg naar warmere streken.
'Het is me wat,' zei heer Bommel. 'Dat broedt een ei uit en gaat er dan vandoor. De kleine mag van geluk spreken dat wij hier net passeerden om hem de eerste schreden op zijn levenspad te wijzen. Hij had het slechter kunnen treffen, al zeg ik het zelf.'
Tom Poes keek bedenkelijk. 'Kwetal en Pee Pastinakel zijn moeilijk te volgen, maar ze praten geen onzin. We hebben dit soort situaties eerder bij de hand gehad, misschien moet u deskundige hulp inschakelen.'
Deze woorden ontstemden heer Olivier en zijn gelaat bewolkte.
'De jonge vriend meent dat ik niet in staat ben om deze jongeling fatsoenlijk op te voeden? Terwijl ik je altijd met raad en daad terzijde heb gestaan bij het verzinnen van een list als ik in moeilijkheden zat? Tenminste, eh... ik bedoel, ... nou ja, wat ik wil zeggen...'
'Dat is precies wat ik bedoel,' zei Tom Poes. 'Misschien werkt u zich in de nesten met deze ontlijner, we weten er te weinig van.'
'Er is hier net iemand ter wereld gebracht,' hernam heer Ollie afgemeten, 'wat in een prettige sfeer zou moeten plaatsvinden. Als jij de stemming wil bederven, kan je dat beter ergens anders doen. Voor een pasgeborene is dit heel vervelend.'
'Velend,' herhaalde de pasgeborene.
'Wat een snoepie, hij praat,' juichte juffrouw Doddel.
'Ik ga op onderzoek uit, voor het mis gaat,' zei Tom Poes, maar er was niemand die hem aandacht schonk.
Heer Bommel richtte zich tot de kleine. 'Vervelend, inderdaad. Let er maar niet op, hij draait wel weer bij. Maar heb ik mijzelf eigenlijk al voorgesteld? Ollie B. Bommel is de naam en deze dame is mijn buurvrouw en eh.. goede vriendin, juffrouw Doddel.'
'Dodde,' aapte de kleine na.
Juffrouw Doddel klapte in haar handen. 'Oh Ollie, wat ben je toch knap met kinderen, hij zegt mijn naam!'
Het was duidelijk dat heer Ollie zich door deze woorden gesterkt voelde in het pas verworven ouderschap. 'Laten we een naam voor je bedenken. Wat is een goede naam voor een ontlijner?'
'Ollijn,' herhaalde de kleine vrolijk.
'Ja, je bent een ontlijner, maar nu nog een passende naam verzinnen.'
'Ollijn,' zei het wezentje nogmaals. De klank lag prettig in het gehoor en hij onthield liever geen lange woorden.
'Dat is best een aardige naam,' bedacht juffrouw Doddel, 'waarom noemen we hem niet Ollijn?'
De kersverse ouders waren het snel eens en gingen even later met hun kroost op weg naar de bewoonde wereld.
'Joost heeft vast een kopje thee met wat lekkers,'sprak heer Ollie vaderlijk. 'Van al dat lopen krijgt men honger.'
'Honger,' deed Ollijn hem na en heer Bommel kon zich dat goed voorstellen. 'Het is ook niet niks, eeuwenlang in zo'n ei. Als je er dan eindelijk uit bent is een voedzame maaltijd wel het minste. Misschien heeft Joost nog een kliekje, al klonk het voedsel dat Kwetal voorschreef wel wat ingewikkeld. Wat eet een ontlijner eigenlijk, bedoel ik?'

Tom Poes bereikte het stadslaboratorium in de hoop bij professor Prlwytzkofski iets wijzer te worden. De professor was druk met het nabootsen van de oerknal, zodat door ontploffingen en glasgerinkel de deurbel hem ontging. Zijn verbazing was groot toen hij tussen de rookwolken een gedaante onderscheidde.
'U doet mij verschrikken, heer Poes. Even meende ik getuige te zijn van het ontstaan des levens, maar tot mijner spijt bent u het. Had u een termijn? Of dringt u zich hier zomaar binnen?'
'U hoorde de bel niet, ik dacht, ik loop maar door,' zei Tom Poes.
'U dacht, u dacht! Dachten zou men aan der behoorde overlaten, die daartoe onderricht geworden is. Maar wat brengt u hier, heer Poes, maak voort, bid ik u.'
'Ik maak me zorgen om heer Bommel,' antwoordde Tom Poes, 'hij heeft een ontlijner gevonden in het bos en nu...'
'Der Bomml is ja ein constanter kwel van zorgen,' riep de prof, 'daarvoor zijn andere instanties, belastigt u mij daar niet mee. En der ontlijner? Dat is ja ein prehistorischer levensvorm, waarvan het bestaan nooit wetenschappelijk aangetoond is geworden. Mythologischer quatsschpraat. Maar maakt u voort, want ik heb der oerknaller bijna gevonden.'
'Aha,' zei Tom Poes, 'u kent 't dus, de ontlijner, maar misschien weet u niet precies... ach, laat maar, ik ga wel op zoek naar iemand die er meer verstand van heeft. Bedankt voor uw tijd.'
Tom Poes begaf zich naar de uitgang, maar het was te verwachten dat de geleerde door dergelijke uitspraken geprikkeld werd. Een grote bewijsdrang overmeesterde hem zodat hij Tom Poes belette het pand te verlaten en hem met harde hand meetrok naar zijn bibliotheek.
'Zo laat ik mij hier niet uitmaken, in mijn eigenes laboor,' riep de getergde wetenschapper. 'U wilt weten van der ontlijner, u bekomt hier einer privaatcollege waar de oren u van suizen, verspreek ik u.'
De professor trok boeken uit kasten en begon een wanordelijke verhandeling over de ontlijner.
'Prehistorischer levensvorm..., bestaan nooit wetenschappelijk bewezen geworden..., der ontlijner benodigt informatieve voedingswaar, cijfers en letters hebben de voorkeur. De soort heeft zich te vroeg geëvolueerd, daarmee het verstorven is, beter had het gewacht tot na de uitvinding van de boekdrukkenskunst. Er was ja weinig informatie voorhanden, hoogstens een kleitablet, maar dat ligt zwaar op de maag.'
De professor moest lachen om zijn eigen grap, maar herstelde zich snel. 'Neemt u mij niet kwalijk, bid ik u, dat was ener scherts van onwetenschappelijker aard, verontschuldigt u mij. Waar was ik gebleven? Ach ja, het voedt zich met cijfers en letters. Geen grootaardige getallen en woorden, maar hapklare brokjes informatie.'
'Zoiets zei Kwetal, cijfers en letters,' merkte Tom Poes op. 'Los hebben ze geen waarde, maar bij elkaar wel. En hij had het over bitjes en een bijt.'
'Onderbreekt u mij niet,' mopperde de geleerde. 'Dezer heer Kwetal is bestemd een technieker die aan computers prutst. Bits en bites, dat is ja vakspraak voor digitaler informatiedragerij. Cijfers, letters, bits, het zijn ja alle informatiebouwstenen. Vele bits maken een bite en in samenhang worden cijfers en letters een getal of woord, eerst dan krijgt het waarde. Ik geef u een bijspel. Wat meent een nul voor u, heer Poes?'
Tom Poes antwoordde dat een nul eigenlijk niks is.
'En wat meent het cijfer één, heer Poes?'
'Een één is ook niet veel,' redeneerde de toehoorder.
'Daar heb ik u,' joelde de wetenschapper, 'want zes nullen op een rij met een één van voren, tezamen vormen zij een miljoen. Dan krijgt het waarde, verstaat u?'
De professor begon op dreef te raken, maar Tom Poes had genoeg gehoord. Misschien was het verstandig een beetje bij heer Ollie in de buurt te blijven, dacht hij, zolang de betekenis van Kwetals woorden niet helemaal duidelijk was.
Professor Prlwytzkofski deed Tom Poes uitgeleide waarna het vertrouwde geluid van explosies en glasscherven duidelijk maakte dat de geleerde op de rand van een wetenschappelijke doorbraak stond.

Tom Poes ging de volgende ochtend bij heer Ollie op bezoek en trof zijn vriend met roodomrande ogen aan de goedgevulde keukentafel. Joost maakte eveneens een uitgeputte indruk en Ollijn zat met een leeg bord tussen de onaangeroerde gerechten en herhaalde met enige regelmaat het woord 'honger.'
'Voel me belabberd, geen oog dicht gedaan,' prevelde heer Ollie. 'Stoofschotels, grutpap, zoete broodjes, de kleine lust werkelijk niets! Tot overmaat van ramp is juffrouw Doddel overspannen naar huis gegaan. Het moederschap is haar te machtig, zegt ze, zodat ik er alleen voor sta. Met de hulp van Joost natuurlijk die steeds de verkeerde spijzen op tafel zet.'
'Hm,' zei Tom Poes. 'Het ruikt hier erg lekker, aan de kookkunsten van Joost ligt het niet, maar ik denk dat Ollijn iets anders nodig heeft. Hebt u toevallig een oude krant?'
'Welja,' begon heer Ollie verontwaardigd. 'Wij proberen een hongersnood te lenigen en wat doet Tom Poes? Die gaat de krant lezen.'
De ontstemde heer wilde op dezelfde voet voortgaan, maar Tom Poes begon de krant die Joost hem aanreikte te verscheuren en presenteerde een bordje papiersnippers aan Ollijn. Die keek erg blij en at zijn bord helemaal leeg. Daarna trok hij zich terug op een kleedje in de hoek van de keuken en viel in slaap. Het humeur van heer Ollie klaarde onmiddellijk op.
'Het is wonderlijk wat een heer vermag als de oplossing zo voor de hand ligt dat hij hem over het hoofd ziet, als je begrijpt wat ik bedoel. Een oude krant, letters en cijfers, precies wat Kwetal zei. Ik had het zelf kunnen bedenken. Kom, jonge vriend, je kwam precies op tijd en we zullen al dat lekkers niet laten verpieteren. Joost, warm de soep op en zet de stoofpot nog even in de oven, dan bel ik juffrouw Doddel terwijl jij de tafel dekt.'
Even later zat het gezelschap aan tafel en toen heer Ollie het glas hief en een korte toespraak hield leek het precies op een feestmaal zoals de gastheer gewoon was aan te richten na afloop van een avontuur. Tom Poes liet het zich smaken, maar had een onbestemd voorgevoel dat het avontuur met Ollijn nog niet tot een goed einde was gebracht. Trouwe lezertjes weten dat Tom Poes er zelden naast zit.

Op zekere dag besloot heer Bommel dat Ollijn eens wat van de omgeving moest zien. Aan de bosrand troffen zij de kunstschilder Terpen Tijn die al mompelend begonnen was aan een nieuw schilderwerk.
'Als ik lapis lazuli meng met vermiljoen, nee.., misschien eerst wat eh... dinges en...'
Zijn concentratie werd wreed verstoord door de komst van publiek. 'Nee, daar is Bommel! Ik vroeg me al af waarom de okers begonnen te schiften. Altijd dezelfde, begin ik net aan een schilderij, is er stront aan de knikker.'
'Stronterij,' resumeerde Ollijn de overwegingen van de kunstenaar. Dit kwam de gemoedstoestand van de aangesprokene niet ten goede, dat valt te begrijpen. 'Ik hoor het al, die kleine is uit hetzelfde hout gesneden. Je verstoort mijn vibraties, Bommel, neem je discipel mee en ga ergens anders je krant lezen,' waarbij hij wees op de krant die heer Bommel onder zijn arm had.
'Oh nee,' zei heer Bommel. 'Allereerst is Ollijn geen soort en ook geen siepel, het is een ontlijner. En de krant is de krant van gisteren, voor het geval de kleine honger krijgt onderweg. Maar dan moet ik de krant eerst versnipperen, want alles van waarde verdwijnt, als je begrijpt wat ik bedoel'.
De kunstenaar schudde het hoofd. 'Alles van waarde verdwijnt? Je zit er faliekant naast, meneertje. 'Alles van waarde is weerloos,' zei Lucebert. Stond bij mij op school met knallende neonletters op de muur geschreven.'
'Heer Tijn is in de war en dat is ook geen wonder,' sprak heer Bommel Ollijn toe. 'Hij hoort een Franse kaas praten en op school knalt men neonletters op de muur. Ik schreef gewoon met potlood op lijntjespapier. Waar gaat het heen met het onderwijs?'
Terpen Tijn liep rood aan en begon het kunstwerk boven zijn hoofd rond te zwaaien. 'Maak dat je wegkomt, Bommel, voor ik mezelf verlies, het begint te ploffen in mijn kop.'

terug naar overzicht
17 - 09 - 2015